In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, oorspronkelijk geschat op €343.115,-. De betrokkene was eerder veroordeeld voor overtredingen van de Wet dieren. De rechtbank legde een ontnemingsverplichting op van €63.301,-.
Zowel het OM als de betrokkene stelden hoger beroep in tegen de vonnissen. Tijdens het hoger beroep bereikten partijen procesafspraken waarin de betrokkene akkoord ging met een betalingsverplichting van €100.000,-. Het hof beoordeelde deze afspraken als niet onredelijk.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €100.000,-. Vervolgens legde het hof de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 1095 dagen. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam op 31 mei 2023.