Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[appellant 1] V.O.F.,
[appellant 2],
[appellant 3] ,
[appellant 4] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
Partijen sloten in juli 2020 een aanneemovereenkomst voor de bouw van een casco aanbouw aan de woning van [geïntimeerden]. Tijdens de uitvoering maakten [appellanten] constructiefouten die schade veroorzaakten aan de woning. Na een onderzoek door [bedrijf 1] werd de herstelkosten geraamd op €35.520 exclusief btw. [Geïntimeerden] stelden [appellanten] in gebreke en startten een bodemprocedure.
In de kortgedingprocedure vorderden [geïntimeerden] een voorschot van €45.101,90 op de geleden schade. De voorzieningenrechter kende €45.000 toe als voorschot en veroordeelde [appellanten] in de proceskosten. [Appellanten] gingen in hoger beroep tegen dit vonnis.
Het hof stelde vast dat de feiten niet in geschil zijn en dat de bodemrechter inmiddels aansprakelijkheid van [appellanten] heeft vastgesteld voor een hoger bedrag (€48.756,95). Het hof oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang bij toewijzing van het voorschot en verwierp de grieven van [appellanten]. Het vonnis van de voorzieningenrechter werd bekrachtigd, inclusief de kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat [appellanten] veroordeelt tot betaling van een voorschot van €45.000 aan [geïntimeerden] wegens constructiefouten.