Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Geachte heer [appellant] ,
4.De klacht
klachtonderdeel 1);
klachtonderdeel 2);
klachtonderdeel 3).
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een klacht van klager tegen een notaris vanwege uitlatingen in een Whatsapp-bericht en een brief, waarin de notaris aangaf geen gelden van klager te accepteren voor een woningoverdracht. Klager stelde dat deze uitlatingen in strijd waren met de eer en waardigheid van het notarisambt, de geheimhoudingsplicht schonden en dat de notaris haar ministerieplicht had geschonden.
De kamer voor het notariaat had klachtonderdeel 1 gegrond verklaard, klachtonderdeel 2 ongegrond en klachtonderdeel 3 niet-ontvankelijk. Het hof heeft alle klachtonderdelen zelfstandig beoordeeld. Het hof oordeelde dat de uitlatingen, hoewel weinig subtiel, niet onbetamelijk waren gezien de context en het feit dat het bericht niet openbaar was. De notaris had haar vrijheid van meningsuiting binnen de grenzen van artikel 10 EVRM Pro uitgeoefend.
Ten aanzien van de geheimhoudingsplicht stelde het hof vast dat de notaris geen vertrouwelijke informatie had prijsgegeven. Het derde klachtonderdeel werd niet-ontvankelijk verklaard omdat klager geen belang had bij de ministerieplicht van de notaris in deze zaak.
Het hof vernietigde de eerdere gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 en de veroordeling tot terugbetaling van het griffierecht, verklaarde klachtonderdeel 1 ongegrond en bevestigde de overige beslissingen van de kamer.
Uitkomst: De klacht tegen de notaris wordt ongegrond verklaard en de eerdere gegrondverklaring vernietigd.