ECLI:NL:GHAMS:2023:1002

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
23-002285-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met vrijspraak poging doodslag en veroordeling drugshandel en wapenbezit

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 2 mei 2023 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2021. De verdachte werd verdacht van poging doodslag, afpersing, wapenbezit en drugshandel. Het hof heeft het vonnis bevestigd met aanvullende overwegingen.

De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van 7 jaar voor de feiten 1 tot en met 5. Het hof oordeelde echter dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte op 7 april 2020 het schot had gelost op de aangever, mede vanwege onvoldoende onderscheidende bewijzen zoals DNA-mengprofielen en het ontbreken van zekerheid over aanwezigheid op de plaats delict. Daarom sprak het hof verdachte vrij van poging doodslag en afpersing.

Voor de feiten 3 tot en met 5, waaronder het bezit van een revolver en munitie in een verborgen compartiment in een Mercedes, vond het hof wel voldoende bewijs. De verdachte gebruikte de Mercedes frequent en kon geen aannemelijke verklaring geven voor het wapen en geld in het verborgen compartiment. Ook WhatsApp-gesprekken en getuigenverklaringen ondersteunden de conclusie dat de verdachte betrokken was bij drugshandel.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank met deze aanvullingen en sprak verdachte vrij van de poging doodslag en afpersing, maar veroordeelde hem voor de overige feiten.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en afpersing, maar veroordeeld voor wapenbezit en drugshandel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002285-21
datum uitspraak: 2 mei 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 15-204667-20 en 15-000349-19 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van het voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- de overweging ten aanzien van de feiten 1 en 2 zal aanvullen;
- de bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5 aanvult;
- rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zodat het de toepasselijke wettelijke voorschriften daarmee aanvult.

Overwegingen van het hof

Aanvullende overweging vrijspraak feiten 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte veroordeeld dient te worden voor de poging doodslag en afpersing. Zij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die op 7 april 2020 het schot heeft gelost gericht op de aangever. Uit het dossier volgt volgens de advocaat-generaal immers dat de verdachte grotendeels voldoet aan het door de aangever en de getuige [getuige] gegeven signalement. Ook de bij de woning van de vader van de verdachte aangetroffen bedrijfskleding van [bedrijf] past volgens de advocaat-generaal bij dit opgegeven signalement. Daarnaast is op de tape op de Zalando-doos DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. De mobiele telefoon van de verdachte straalde vlak na het schietincident aan in de directe omgeving van de [adres 1] in [plaats] en in een WhatsAppgesprek tussen de verdachte en een ander wordt gesproken over een mislukte ‘torie’. Tot slot is in de bij de verdachte in gebruik zijnde Mercedes een wapen aangetroffen waarop zijn DNA-materiaal is aangetroffen. Deze omstandigheden dienen volgens de advocaat-generaal in onderlinge samenhang te worden bezien.
Het hof overweegt als volgt.
Ook indien het hof de door de advocaat-generaal opgesomde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beziet, kan naar het oordeel van het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op 7 april 2020 in de woning van de aangever is geweest en daar het schot heeft gelost dat de aangever heeft getroffen.
Zoals de rechtbank heeft overwogen is bij het incident op 7 april 2020 gebruik gemaakt van een doos van Zalando. Deze doos is enige dagen voor het incident bij de verdachte afgeleverd. Op deze doos zijn verschillende sporen aangetroffen, waaronder op tape waarmee de doos was dichtgeplakt een DNA-mengprofiel ten aanzien waarvan het NFI rapporteert dat DNA hierin afkomstig kan zijn van de verdachte en [medeverdachte] . Laatstgenoemde is de dealer die de dag voor de schietpartij drugs bij de aangever heeft afgeleverd. Ook in onderlinge samenhang bezien leidt dat het hof tot de conclusie dat de door de advocaat-generaal genoemde bewijsmiddelen onvoldoende onderscheidend zijn om wettig en overtuigend het daderschap van de verdachte aan te nemen.
Het hof is aldus van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Nadere bewijsoverweging feiten 3 en 4
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5 op de tenlastelegging – kort samengevat – aangevoerd dat de Mercedes waarin een verborgen compartiment bleek te zitten waarin een grote hoeveelheid cashgeld, resten van verdovende middelen en een vuur- wapen is aangetroffen, niet aan de verdachte toebehoorde en dat hij geen wetenschap had van (de goederen in) het verborgen compartiment. Ook zou volgens de raadsman geen sprake zijn van drugshandel nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte handelde in verdovende middelen.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 10 juni 2020 heeft een doorzoeking in de woning van de moeder van de verdachte plaatsgevonden. Bij die doorzoeking is een autosleutel van een Mercedes aangetroffen en in beslag genomen. Ook de betreffende Mercedes is in beslag genomen. Bij forensisch onderzoek in deze auto is een verborgen compartiment in de middenconsole aangetroffen. In deze verborgen ruimte lagen onder meer een revolver en munitie (feit 3) en een bundel geld, in totaal € 2.800,- (feit 4).
Het wapen dat is aangetroffen in het verborgen compartiment in de Mercedes is bemonsterd. Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat het aangetroffen biologische spoor een DNA-profiel bevat dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij gedurende de zes weken voor zijn aanhouding veelvuldig gebruik heeft gemaakt van de Mercedes, die op naam van zijn vriendin stond. Dat de verdachte gebruik maakte van de Mercedes blijkt ook uit het dossier.
Gelet op het voorgaande , is het hof van oordeel dat van de verdachte een redelijke verklaring mag worden verlangd voor de aanwezigheid van het wapen met de genoemde sporen in een auto die hij gebruikte. De verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van het verborgen compartiment en het wapen slechts één keer heeft vastgehouden. Ook zouden er volgens de verdachte minstens vier anderen gebruik hebben gemaakt van de auto aan wie de aangetroffen goederen zouden kunnen toebehoren, maar over wie deze personen zijn wil hij niks verklaren. Aldus heeft de verdachte geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het wapen en het daarbij aangetroffen geldbedrag.
Het hof is, alles overwegende, van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wetenschap had van het verborgen compartiment en het daarin aangetroffen geldbedrag en het wapen.
Nadere bewijsoverweging feit 5
Bij de doorzoeking in de woning van de moeder van de verdachte is op het nachtkastje in de slaapkamer van de verdachte een Samsung telefoon aangetroffen. Gelet op de plaats waar de telefoon is aangetroffen gaat het hof ervan uit dat de telefoon van de verdachte was. In de telefoon zijn whatsappgesprekken aangetroffen. In een van de gesprekken wordt de naam ‘ [verdachte] ’ gebruikt, zijnde de voornaam van de verdachte. Gelet op het taalgebruik in de aangetroffen gesprekken is het vermoeden ontstaan dat sprake zou kunnen zijn van drugshandel. Er zijn whatsappcontacten als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Deze getuigen hebben beiden verklaard dat zij langere tijd drugs hebben gekocht bij de gebruiker van de telefoon. Deze persoon zou [verdachte] heten en in een Mercedes rijden, net als de verdachte. Ook de grote hoeveelheid cashgeld en de aangetroffen resten van de verdovende middelen in de bij de verdachte in gebruik zijnde Mercedes dragen bij aan de overtuiging van het hof dat de verdachte zich bezig hield met de handel in verdovende middelen.
Het hof acht, alles overwegende, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3, 4 en 5 is tenlastegelegd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. D. Radder en mr. V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van
mr. D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 mei 2023.
mr. V.M.A. Sinnige is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.