Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1994 gehuwd en in 2019 gescheiden waarbij de man partneralimentatie van €650 per maand aan de vrouw moet betalen. Na het huwelijk van de man in 2020 met zijn huidige partner, die twee kinderen meebracht, ontstond discussie over de draagkracht van de man gezien zijn nieuwe onderhoudsplicht.
De man verzocht de alimentatie te verlagen of te beëindigen, stellende dat hij door de extra lasten onvoldoende draagkracht heeft. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man voldoende inkomen heeft en dat zij geen verdiencapaciteit heeft.
Het hof oordeelde dat de man redelijkerwijs niet het overwerk kan voortzetten dat hij tot dan toe verrichtte, maar dat zijn draagkracht gebaseerd op het inkomen van 2019 voldoende is om de alimentatie te voldoen. De bijdrage aan de kosten van de stiefkinderen werd vastgesteld, waarbij ook de verdiencapaciteit van de huidige partner werd meegenomen.
De behoefte van de vrouw werd bevestigd op basis van het convenant en onvoldoende onderbouwd betwist. De rechtbank had de alimentatieverzoek afgewezen en de proceskosten aan de vrouw toegewezen, maar het hof compenseerde de proceskosten tussen partijen. De bestreden beschikking werd verder bekrachtigd.
Uitkomst: De partneralimentatie van €650 per maand blijft ongewijzigd; de proceskostenveroordeling wordt vernietigd en kosten gecompenseerd.