Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2021, waarin hij werd veroordeeld voor invoer van cocaïne. Tijdens het hoger beroep werd een vervangende bewijsoverweging opgesteld die de eerdere overwegingen van de rechtbank deels verving en enkele bewijsmiddelen aanpaste.
De verdediging voerde aan dat het proces-verbaal van verhoor van de verdachte uitgesloten moest worden wegens een onherstelbaar vormverzuim, omdat het verhoor deels zonder advocaat en zonder auditieve registratie was afgenomen. Het hof besloot deze verklaring echter niet te gebruiken als bewijsmiddel, waardoor het verweer omtrent bewijsuitsluiting niet verder werd behandeld.
Uit het bewijs, waaronder telefoongegevens en verklaringen, bleek dat verdachte op 18 oktober 2020 een kostbare substantie, vermoedelijk cocaïne, vanuit Suriname had ingevoerd. De verdachte had hiervoor € 10.000 ontvangen en verklaarde zelf dat het waarschijnlijk om cocaïne ging. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van invoer van cocaïne.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank met inachtneming van de aangepaste bewijsoverwegingen en veroordeelde verdachte tot dezelfde straf als in eerste aanleg opgelegd.