Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
primair:
subsidiairverzocht [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van:
meer subsidiairverzocht [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van:
2.Feiten
[geïntimeerde] B.V. (hierna: de besloten vennootschap);
Stichting [geïntimeerde] (hierna: de Stichting);
[geïntimeerde] Lda (hierna: Portugal).
hebt vernomen heb ik, namens [geïntimeerde] , [bedrijf 2] verzocht om een onderzoek in te stellen naar de rekening courant verhouding van de directie (…). [bedrijf 2] heeft jou meermalen de mogelijkheid gegeven om te reageren op hun onderzoeksbevindingen, maar uit het rapport leid ik af dat je hier geen gebruik van hebt willen maken. Dat vind ik onbegrijpelijk. Als directeur/bestuurder was jij verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken bij [geïntimeerde] en jij bent bij uitstek degene die opheldering zou moeten kunnen geven over de transacties die [bedrijf 2] heeft omschreven. Als hetgeen [bedrijf 2] heeft omschreven klopt, dan loopt [geïntimeerde] nog grote fiscale risico’s, dus jouw reactie hierop had ik zeer wenselijk gevonden.
‘(…) Tot slot nemen we het je zeer kwalijk dat je niet hebt mee willen werken aan het onderzoek van [bedrijf 2] . Zowel voor jou alsmede voor [naam 1] en [geïntimeerde] is het van wezenlijk belang dat het duidelijk is wat de financiële positie van [geïntimeerde] precies is en welke (fiscale)risico’s [geïntimeerde] mogelijk nog loopt. Als directeur en bestuurder, verantwoordelijk voor de financiën, ben jij bij uitstek degene die duidelijkheid moet kunnen verschaffen over de transacties die zijn verricht. Door nu wel te stellen dat [bedrijf 2] het bij het verkeerde eind heeft, maar hier geen inhoudelijke reactie op te willen geven, niet op de vragen van [bedrijf 2] te reageren en niet in te gaan op mijn uitnodiging om met elkaar in gesprek te treden, heb je in mijn[ [naam 2] ; hof]
ogen ernstig verwijtbaar gehandeld.
3.Beoordeling
grief Ikomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet voortvarend is gegeven, waarmee aan de eis van onverwijldheid is voldaan. [appellant] heeft ter toelichting – samengevat weergegeven – aangevoerd dat er vanaf augustus 2019 tussen partijen is gesproken over de hoogte van de rekening-courant verhouding, de totstandkoming en de vaststelling daarvan. [appellant] heeft alle informatie die hij met betrekking tot de rekening-courant verhouding had met de bestuurders van [geïntimeerde] gedeeld. Op 4 maart 2021 – ruim voordat de accountantsrapportage van [bedrijf 2] gereed was en ruim voor het ontslag op staande voet – is [appellant] door [geïntimeerde] beschuldigd van ernstige financiële malversaties. [geïntimeerde] was al ver voor het ontslag op staande voet op de hoogte van het handelen van [appellant] als bestuurder en bekend met de hem verweten malversaties. [geïntimeerde] had [appellant] op dat moment moeten ontslaan en niet pas na de uitkomsten van het [bedrijf 2] rapport, waarmee het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, aldus [appellant] .
grief IIkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. [appellant] heeft ter toelichting – samengevat weergegeven – aangevoerd dat hij gegronde redenen had om niet aan het onderzoek van [bedrijf 2] mee te werken. Zo was er geen normale werkgever/werknemer verhouding. [geïntimeerde] is opgezet door [naam 1] en [appellant] , voormalige echtgenoten. Toen zij in een vechtscheiding belandden heeft [naam 1] ook in de arbeidsverhouding [appellant] het leven zuur gemaakt. [naam 1] heeft zichzelf in 2020 opnieuw als bestuurder benoemd en [appellant] in juni 2020 op non-actief gesteld. Vervolgens heeft [naam 1] de vergoeding van verschillende kosten stopgezet, evenals een lopende mediation. [naam 1] heeft verschillende opmerkingen bij de formuleringen van het [bedrijf 2] -onderzoek geplaatst, teneinde diverse conclusies anders en sterker geformuleerd te krijgen, zodat er niets anders overbleef dan een ontslag op staande voet. Bovendien heeft [geïntimeerde] een belangrijk Raad van Toezicht-besluit betreffende netto onkostenvergoedingen in eerste aanleg niet gedeeld en niet overhandigd aan [bedrijf 2] . [naam 3] , voorheen directeur algemene zaken bij [geïntimeerde] (hierna: [naam 3] ) had al eerder onderzoek gedaan en wilde daar in augustus 2020 met [appellant] over praten. [appellant] heeft deze uitnodiging geaccepteerd, maar er is door [geïntimeerde] nooit opvolging aan gegeven. Daarnaast blijkt uit de e-mail van [naam 4] van [bedrijf 2] van 11 maart 2021 dat het verlenen van medewerking door [appellant] aan het onderzoek door [bedrijf 2] geen verplichting was. [appellant] heeft regelmatig met de bestuurders gesproken en hun de benodigde informatie toegezonden. [appellant] is van mening dat een onafhankelijke accountant een opdracht dient te krijgen om de hoogte van de rekeningcourant verhouding vast te stellen. [geïntimeerde] had haar oordeel over [appellant] al voor het onderzoek door [bedrijf 2] getrokken, aldus nog steeds [appellant] .
Grief IV, die anders betoogt, slaagt niet.
grief IIIkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] opleveren. [appellant] heeft aangevoerd dat hij zich altijd ten volle voor [geïntimeerde] heeft ingezet en steeds uitstekend heeft gefunctioneerd en dat de gevolgen van het ontslag voor hem ingrijpend zijn. Bovendien heeft [appellant] [geïntimeerde] altijd informatie omtrent de rekening-courant verhouding verstrekt. Dat er een hoge rekening-courant verhouding is opgebouwd tussen [geïntimeerde] en [appellant] betekent nog niet dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, aldus [appellant] .
grief Vkomt [appellant] op tegen de afwijzing van het verzoek tot betaling van de eindejaarsuitkering. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat hij uit hoofde van het arbeidsvoorwaardenreglement van [geïntimeerde] vanaf 1 maart 2016 recht heeft op een eindejaarsuitkering. [geïntimeerde] heeft vanaf september 2019 tot en met december 2020 de eindejaarsuitkering voldaan, maar niet over de maanden januari tot en met april 2021. Dat geldt ook voor het vakantiegeld.
grief VIkomt [appellant] op tegen afwijzing van het verzoek met betrekking tot autokosten, huur/huisvestingskosten, ticketkosten en schoolkosten. [appellant] heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat uit de notulen van een vergadering tussen de bestuurder en de Raad van Toezicht van [geïntimeerde] van 19 januari 2016 blijkt dat er op dat moment een rechtsgeldig besluit door de Raad van Toezicht is genomen over het salaris van de directie en toekenning van de onkostenvergoedingen.