ECLI:NL:GHAMS:2022:3192
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep vergoeding voorlopige hechtenis en toekenning beperkte proceskostenvergoeding
De appellant stelde schadevergoeding te vorderen voor de ondergane voorlopige hechtenis en gemaakte proceskosten in verband met een strafzaak waarin hij werd veroordeeld voor bezit van verdovende middelen en vrijgesproken van poging tot brandstichting.
De rechtbank had de vergoeding afgewezen omdat de zaak eindigde met een straf voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis was toegelaten, namelijk het bezit van verdovende middelen boven de gebruikershoeveelheid. De appellant voerde aan dat de middelen voor eigen gebruik waren en dat hij alleen voor het brandstichtingsfeit in voorlopige hechtenis had gezeten.
Het hof heeft het hoger beroep behandeld en oordeelde dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast en dat de feiten met elkaar in verband staan, waardoor de appellant niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot vergoeding van schade wegens voorlopige hechtenis.
Wel acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding van € 340 toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand in het hoger beroep. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank bevestigd, met toekenning van deze beperkte vergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en een beperkte vergoeding van € 340 voor proceskosten in hoger beroep toegekend.