Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellante] ,
[appellant] ,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vordert de kleindochter voortzetting van de huurovereenkomst van een woning die haar grootmoeder sinds 1957 huurde. Na het overlijden van de grootmoeder in mei 2019 stelt zij zich op het standpunt dat zij als achterblijvende medehuurder de huur mag voortzetten op grond van artikel 7:268 BW Pro.
De woning is eigendom van appellanten die het beheer hebben uitbesteed aan een professioneel beheerbedrijf. De kleindochter heeft de vordering eerst tegen de beheerder ingesteld, later ook tegen de eigenaren. Het hof oordeelt dat de vordering tijdig is ingediend, ook al was dit aanvankelijk tegen de beheerder, omdat de kleindochter redelijkerwijs mocht vertrouwen dat dit de juiste partij was.
Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat tussen de kleindochter en haar grootmoeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond. Dit blijkt uit de langdurige samenwoning van 31 jaar, het gezamenlijke gebruik van voorzieningen, de wederzijdse zorg en financiële bijdragen. De kleindochter was ook mantelzorger voor haar grootmoeder. De grieven van appellanten worden verworpen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De kleindochter mag de huurovereenkomst voortzetten na het overlijden van haar grootmoeder wegens het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.