Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
- a) Partijen hebben van 2012 tot in 2018 een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning van [geïntimeerde] te [plaats 1] . [appellant] heeft deze woning medio 2019 verlaten.
- b) Op 26 juni 2015 is [geïntimeerde] door koop eigenaar geworden van een woning te [plaats 2] ( [land] ). Partijen waren van plan dit huis als vakantiehuis te gebruiken en in de toekomst als woonhuis.
- c) [appellant] heeft op 30 november 2015 twee maal een bedrag van € 46.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [geïntimeerde] . Op 18 december 2015 heeft hij bedragen van € 40.000,00 en € 23.000,00 naar [geïntimeerde] overgemaakt.
3.Beoordeling
grieven 1 tot en met 4zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van het bedrag van € 155.000,00. [appellant] legt aan deze vordering ten grondslag dat hij dit (totaal)bedrag aan [geïntimeerde] heeft betaald in verband met de koop van de hiervoor onder (b) bedoelde woning, waarin partijen mettertijd zouden gaan samenwonen. Omdat de relatie is geëindigd en alleen [geïntimeerde] eigenaar is van de mede met behulp van voormeld bedrag aangeschafte woning, maakt [appellant] op verschillende grondslagen aanspraak op de terugbetaling van dit bedrag. In hoger beroep gaat het om de volgende grondslagen:
[naam 1]…[rest onleesbaar; hof]
”
grief 5komt [appellant] op tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot betaling van € 12.773,15. Voormeld bedrag is het totaal van negentien door [appellant] in de periode van 6 februari 2015 tot en met 25 juli 2019 aan [geïntimeerde] gedane betalingen, die volgens hem betrekking hebben op jaarlijkse vaste kosten ten behoeve van de woning in [land] , meubels, een cv-ketel, de auto en advocaatkosten van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betwist dat zij tot enige terugbetaling kan worden gehouden. De rechtbank heeft op dit punt onder meer als volgt overwogen: