Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake openlijk geweld in vereniging gepleegd op 15 november 2010 te Diemen. De verdachte werd ervan beschuldigd samen met anderen geweld te hebben gepleegd tegen twee benadeelden, waaronder het insluiten, slaan en schoppen.
De verdediging stelde dat verdachte zelf geen geweld had toegepast en slechts toekeek, waardoor geen sprake zou zijn van een significante bijdrage aan het geweld. Het hof oordeelde echter dat het insluiten, achtervolgen en toeroepen van een van de benadeelden door verdachte een voldoende significante bijdrage vormde aan het openlijk geweld.
Het hof verwierp het verweer van noodweer omdat niet aannemelijk was dat verdachte zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest verdedigen. De bewezenverklaring werd beperkt tot de feiten die het hof overtuigend achtte, waarbij verdachte strafbaar werd gesteld voor openlijk geweld in vereniging.
De straf werd vastgesteld op een taakstraf van 60 uur met 30 dagen hechtenis als vervangende sanctie. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard, omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en zij hun vorderingen bij de burgerlijke rechter moeten indienen.
Daarnaast werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.