Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
5.Beslissing
.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant, een ondernemer met een eenmanszaak, voerde hoger beroep tegen de beëindiging van zijn zakelijke en privérekeningen door ABN AMRO. De bank had de relatie opgezegd na een frauduleuze overboeking van bijna €30.000,- op de zakelijke rekening, waarvan appellant binnen korte tijd grote bedragen overboekte en opnam.
Appellant stelde dat hij onschuldig was en dat de overboeking verband hield met een grote bestelling van een klant. Hij overhandigde een bestelbon en inkoopfacturen ter onderbouwing. Het hof oordeelde echter dat de bestelbon onvoldoende specificaties bevatte en de inkoopfacturen inconsistenties vertoonden, waardoor de verklaring van appellant niet overtuigend was.
Verder wees het hof op het ontbreken van een duidelijke koppeling tussen de overboeking en de bestelling, en dat appellant onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte door het bedrag direct te gebruiken zonder nader onderzoek. De bank had op grond van de Algemene Bankvoorwaarden het recht de relatie te beëindigen, en het hof vond dit niet onaanvaardbaar gezien de omstandigheden.
De vordering van appellant om de rekeningen te heropenen werd afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af, waarmee de bankrelatie beëindigd blijft.