Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:2179

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
26 juli 2022
Zaaknummer
200.296.187/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 RvArt. 843a RvArt. 21 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot herroeping ontruimingsarrest wegens ontbreken bedrog

In deze zaak vorderde eiser herroeping van een ontruimingsarrest uit 2018, stellende dat de gemeente onjuiste informatie had verstrekt die tot het arrest had geleid, wat zou neerkomen op bedrog in de zin van artikel 382 Rv Pro. Eiser stelde dat de gemeente en een koper in het geheim dooronderhandelden over de verkoop van het pand, waardoor het spoedeisend belang voor ontruiming ontbrak.

De gemeente voerde verweer dat alle relevante feiten al in eerdere bodemprocedures waren behandeld en dat de koopovereenkomst met de koper reeds bestond vóór het kort geding. Het hof stelde vast dat de koopovereenkomst op 6 februari 2018 was gesloten en dat latere onderhandelingen de verkoop niet ongedaan maakten.

Het hof oordeelde dat het spoedeisend belang voor ontruiming voldoende was aangetoond en dat er geen sprake was van bedrog. De vordering tot herroeping en het verzoek tot overlegging van geheime stukken werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, waarbij het hof terughoudend was in het aannemen van misbruik van procesrecht gezien het recht op toegang tot de rechter.

De uitspraak bevestigt dat herroeping op grond van bedrog een hoge bewijsdrempel kent en dat eerdere bodemprocedures doorslaggevend zijn voor de beoordeling van feiten en omstandigheden.

Uitkomst: De vordering tot herroeping van het ontruimingsarrest wordt afgewezen wegens ontbreken van bedrog.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.296.187/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 juli 2022
inzake
[eiser],
wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiser,
advocaat: mr. H.E.M. Molenaar te Alkmaar (onttrokken),
tegen
GEMEENTE DEN HELDER,
zetelend te Den Helder,
gedaagde,
advocaat: mr. E.C.W. van der Poel te Alkmaar.
Partijen worden hierna [eiser] en de gemeente genoemd.

1.Het verloop van het geding

Bij exploot van 16 juni 2021 heeft [eiser] de gemeente gedaagd voor dit hof en geconcludeerd dat het hof zijn arrest van 13 maart 2018, in kort geding gewezen tussen partijen onder zaaknummer 200.228.132/01 dat in 2018 in kracht van gewijsde is gegaan, zal herroepen op grond van artikel 382 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het betreffende geding zal heropenen, opdat verder kan worden geprocedeerd, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. Tevens heeft [eiser] een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingesteld tot overlegging van ongecensureerde afschriften van de e-mailcorrespondentie als genoemd in het lichaam van voornoemde dagvaarding, een ongecensureerde versie van de eveneens in het lichaam van de dagvaarding geduide geheime allonge van 11 juni 2018 alsook een ongecensureerd bewijs van betaling van de ‘restant-betaling’.
Ter rolle van 29 juni 2021 heeft [eiser] producties in het geding gebracht.
Bij conclusie van antwoord, tevens houdende antwoord in het incident heeft de gemeente, onder overlegging van producties, de vordering tot herroeping alsook de incidentele vordering ex artikel 843a Rv bestreden en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente.
Vervolgens heeft [eiser] gerepliceerd, onder overlegging van een productie.
Ten slotte heeft de gemeente gedupliceerd, onder overlegging van producties.
Op 31 maart 2022 is een eerste zitting in hoger beroep in deze zaak gehouden. In overleg met partijen is toen besloten tot een gezamenlijke behandeling met een tussen partijen lopend kort geding onder zaaknummer 200.291.958/01. Van deze zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben de zaak vervolgens ter zitting van 8 juni 2022 mondeling toegelicht, [eiser] door mr. Molenaar voornoemd en mr. C.E. van Tonningen, advocaat te Alkmaar, en de gemeente door mr. Van der Poel voornoemd en mr. W. de Vis, advocaat te Alkmaar, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Beoordeling

2.1
In deze herroepingszaak, tevens inhoudende een 843a Rv verzoek, gaat het - voor zover van belang en rekening houdend met de hierna nader geduide arresten die op 15 maart 2022 tussen partijen (onder zaaknummers 200.261.206/01 en 200.274.364/01) alsook (onder zaaknummer 200.274.676/01) tussen [eiser] en aannemingsbedrijf [X] (hierna: [X] ) zijn gewezen - om het volgende.
2.1.1
Bij het arrest van dit hof van 13 maart 2018 waarvan herroeping is gevorderd is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van een pand van de gemeente in Den Helder waarin hij woonde en een museum hield (hierna: het ontruimingsarrest). Hiertoe is geoordeeld dat de ontstane betalingsachterstand van [eiser] betreffende door hem verschuldigde vergoeding voor nutsvoorzieningen voorshands een zodanige tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de gemeente vormde dat in hoge mate waarschijnlijk was dat de bodemrechter op grond daarvan de ontbinding van de het pand betreffende overeenkomsten gerechtvaardigd zou oordelen. Het ontruimingsarrest is op 14 maart 2018 aan [eiser] betekend, met bevel om het pand binnen 30 dagen te ontruimen. Bij verzoekschrift van 16 april 2018 heeft de gemeente aan de voorzieningenrechter verlof gevraagd om conservatoir beslag te mogen leggen op alle roerende zaken in het voormalig postkantoor in verband met een vordering ter zake van door [eiser] veroorzaakte schade.
2.1.2
Op 17 april 2018, na verleend verlof tot beslag, is de gemeente tot ontruiming overgegaan. Daarbij is direct conservatoir beslag gelegd op alle roerende zaken van [eiser] : zijn huisraad, zijn werktuigen en alle in het pand aanwezige kunstvoorwerpen. De ontruiming en het beslag hebben acht dagen geduurd. De kosten hiervan zijn door de gemeente in een bodemprocedure jegens [eiser] gevorderd.
2.1.3
Levering van het pand door de gemeente aan koper [X] heeft plaatsgevonden op 23 juli 2018.
2.1.4
Het hof heeft op 15 maart 2022 genoemde arresten in de bodemzaken gewezen en daarin (onder meer) geoordeeld dat de opzegging door de gemeente van de het pand betreffende overeenkomsten met [eiser] rechtsgeldig was en de overeenkomsten per 30 juni 2017 zijn geëindigd, zodat [eiser] sinds die datum zonder recht of titel in het pand verbleef alsook dat [X] niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door het pand van de gemeente te kopen.
2.2.1
[eiser] legt aan zijn vordering tot herroeping ten grondslag dat het ontruimingsarrest berust op bedrog zoals bedoeld in artikel 382 aanhef Pro en sub a Rv. Volgens [eiser] heeft de gemeente aan het hof onjuiste informatie gegeven op grond waarvan het ontruimingsarrest van 13 maart 2018 tot stand is gekomen. De gemeente heeft voor de beslissing relevante feiten verdoezeld. Deze feiten waren [eiser] niet bekend en zouden tot een voor [eiser] gunstige afloop van de procedure hebben kunnen leiden. Aldus is het recht van verdediging aangetast en
the fair balance between the partiesdoorbroken. Ter toelichting voert [eiser] aan dat de door de gemeente met de aanvankelijk nog niet kooplustige [X] op 6 februari 2018 gesloten koopovereenkomst niet de definitieve koopovereenkomst was. Deze overeenkomst is in haast tot stand gekomen om te kunnen worden ingezet in het hoger beroep dat heeft geleid tot het ontruimingsvonnis. Het was een constructie om zo spoedig mogelijk van [eiser] af te komen. De gemeente en [X] hebben hierna in het geheim nog dooronderhandeld en in de volgende maanden is een volstrekt andere koopovereenkomst tot stand gekomen die later nogmaals is gewijzigd. In het kort geding dat heeft geleid tot het ontruimingsvonnis is door de gemeente gesteld dat haar spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming hierin was gelegen dat vóór het moment van levering van het pand asbestsanering moest plaatsvinden. De gemeente wist echter dat deze asbestsanering nog moest worden aanbesteed. De asbestsanering is blijkens een veel latere verklaring van de gemeente dan ook niet eerder dan medio 2019 uitgevoerd. Er was dus geen urgentie. Het hof is ter zake derhalve in strijd met artikel 21 Rv Pro een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Aangezien de kosten van de nutsvoorzieningen legitiem door [eiser] waren opgeschort ontbrak ook overigens een spoedeisend belang. De vordering tot ontruiming was daarom niet toewijsbaar, aldus [eiser] . Een gevolg daarvan is dat de uit de ontruiming voortvloeiende ontruimingskosten en opslagkosten evenmin toewijsbaar zijn jegens [eiser] . Ook was voor de gemeente bij afwijzing van de ontruimingsvordering de noodzaak ontstaan nader met [eiser] te overleggen over zijn vertrek en was er mogelijk met [eiser] dooronderhandeld over een koopovereenkomst met hem. [eiser] verzoekt het hof de gemeente op de voet van artikel 843a Rv te gelasten de op de verkoop van het pand aan [X] ziende geheime stukken in te brengen in dit geding.
2.2.2
De gemeente heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde herroeping en de vordering op de voet van artikel 843a Rv. Zij heeft daarbij weersproken dat bedrog is gepleegd en verder onder meer aangevoerd dat deze procedure de juiste noch de geschikte procedure is voor het beroep van [eiser] op de door hem gestelde feiten. Zo zijn alle feiten en omstandigheden die ten behoeve van de vordering tot herroeping naar voren zijn gebracht, al behandeld althans hadden behandeld kunnen zijn in de aan het hof voorgelegde bodemzaken. Daarin is op 15 maart 2022 uitspraak gedaan waarbij alle feiten en omstandigheden zijn meegenomen. Geoordeeld is dat de ontruiming rechtmatig was. De relevante informatie was dus al bekend en bovendien heeft [eiser] niet onderbouwd wat het causaal verband is tussen deze informatie en een (mogelijk) andere uitspraak. Twee dagen voor de zitting in het kort geding waarin het ontruimingsarrest is gewezen was er daadwerkelijk een koopovereenkomst gesloten met [X] , aldus de gemeente.
2.2.3
Het hof stelt vast dat blijkens rechtsoverweging 3.5 van het ontruimingsarrest door dit hof geoordeeld is dat in de door de gemeente (met [X] ) gesloten koopovereenkomst betreffende het pand voldoende spoedeisend belang was gelegen bij ontruiming van het pand door [eiser] . Vaststaat dat op 6 februari 2018 ook daadwerkelijk een koopovereenkomst was gesloten tussen de gemeente en [X] . Ook de stellingen van [eiser] volgend, hebben latere onderhandelingen en latere andersluidende afspraken er niet toe geleid dat de verkoop van het pand aan [X] alsnog van tafel is geraakt. Integendeel, op 23 juli 2018 is het pand aan [X] geleverd. In zoverre zijn de door [eiser] geschetste ontwikkelingen daarom niet relevant. Dit geldt overigens ook voor de precieze datum waarop de asbestsanering uiteindelijk heeft plaatsgevonden. De vordering tot herroeping wordt dan ook reeds hierom afgewezen. Uit het voorgaande vloeit voort dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering ex artikel 843a Rv, zodat ook die vordering wordt afgewezen. De (opnieuw opgevoerde) stelling van [eiser] dat de vordering tot ontruiming ook onterecht is toegewezen omdat de betaling van de nutskosten legitiem door hem was opgeschort wordt niet nader behandeld, aangezien deze stelling niet is opgevoerd noch toegelicht in het in artikel 382 Rv Pro bepaalde verband.
2.2.4
[eiser] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding, waaronder de kosten van het incident. De gemeente heeft vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Deze vordering is slechts toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, waarbij het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. Dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is niet aan de orde. Het hof zal daarom het gebruikelijke liquidatietarief toepassen.

3.De beslissing

Het hof:
wijst af de vordering tot herroeping van het ontruimingsarrest van 13 maart 2018 met zaaknummer 200.228.132/01;
wijst af de vordering in het incident ex artikel 843a Rv;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot in de herroepingszaak op € 772,00 aan verschotten en € 3.342,00 voor salaris advocaat en in het incident op € 1.114,00 voor salaris advocaat en op € 163,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, E.M. Polak en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2022.