In deze zaak verzocht aandeelhouder [A] de Ondernemingskamer om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de besloten vennootschap [B], met onmiddellijke voorzieningen zoals schorsing van bestuurder [C] en een moratorium op betalingen. De aanleiding was een geschil over de verkoop van een perceel met ontwikkelingspotentie, waarbij [A] vreesde benadeeld te worden door de meerderheidsaandeelhouders [C] en [D].
De Ondernemingskamer onderzocht de door [A] aangevoerde gronden, waaronder vermeende tegenstrijdige belangen van bestuurder [C], onjuiste jaarrekeningdeponering, en onrechtmatige besluitvorming. Het hof concludeerde dat de vermeende problemen onvoldoende zwaarwegend waren om twijfel aan het beleid of de gang van zaken te rechtvaardigen. Privékwesties tussen aandeelhouders, zoals een ‘greep uit de kas’ in 2007, werden niet als bestuurdersaangelegenheden beoordeeld.
Ook werd geoordeeld dat de financiële reserves en het uitblijven van dividenduitkering gerechtvaardigd waren vanwege toekomstige kosten en juridische procedures. De Ondernemingskamer vond geen sprake van een impasse binnen de vennootschap en oordeelde dat besluiten in de algemene vergadering rechtsgeldig konden worden genomen.
Daarom wees de Ondernemingskamer het verzoek van [A] af en veroordeelde haar in de proceskosten. Er werden geen onmiddellijke voorzieningen getroffen. De beschikking werd uitgesproken door de voorzitter en raadsheren van de Ondernemingskamer op 19 juli 2022.