In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2019 beoordeeld betreffende valsheid in geschrifte en belastingfraude door de verdachte. Het hof vernietigde de kwalificatie van een deel van het bewezenverklaarde en paste de strafoplegging aan.
De verdachte werd veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting door twee besloten vennootschappen, waarbij gebruik werd gemaakt van vervalste facturen. Het hof stelde vast dat sprake was van grootschalige en planmatige fraude met een fiscaal nadeel van €252.004,31.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege grondslagverlating, maar dit werd verworpen. Het hof nam het standpunt van de advocaat-generaal over en legde een gevangenisstraf op van 50 weken, waarvan 35 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De strafvermindering hield verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof benadrukte dat de verdachte bewust en structureel handelde, de integriteit van het financiële verkeer schond en het vertrouwen in het belastingstelsel ondermijnde. Tegelijkertijd werd meegewogen dat de verdachte medewerking verleende en een regeling met de Belastingdienst trof om het fiscale nadeel te compenseren.