ECLI:NL:GHAMS:2022:1867
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen tekortkoming in aanbiedingsverplichting bij verkoop loods aan derde
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de appellant, koper van een loods, recht had op een boete en schadevergoeding wegens vermeende schending van een aanbiedingsverplichting door de geïntimeerde, eigenaar van de loods. De appellant stelde dat de loods aan een derde was verkocht zonder hem eerst per aangetekend schrijven te hebben aangeboden, zoals contractueel was overeengekomen.
Het hof stelde vast dat de geïntimeerde de loods op 14 februari 2018 via e-mail aan de appellant had aangeboden, waarbij alle relevante informatie en de prijs duidelijk waren vermeld. De appellant had deze aanbieding niet binnen de contractueel bepaalde termijn van één maand aanvaard. Het hof oordeelde dat het e-mailbericht voldeed aan de aanbiedingsverplichting, ondanks het ontbreken van een aangetekend schrijven, omdat het doel van het vormvereiste was bereikt en de appellant de aanbieding had ontvangen.
Verder verwierp het hof het beroep van de appellant op een zogenaamde 'Moederdagafspraak' en op het argument dat de loods aan een derde zou zijn verkocht voor een lagere prijs dan aan hem was aangeboden. De verkoop aan de derde partij was rechtsgeldig, en de vorderingen van de appellant werden afgewezen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en de appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellant af wegens correcte naleving van de aanbiedingsverplichting.