ECLI:NL:GHAMS:2022:1612
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toewijzing medehuurderschap wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
Appellante vorderde op grond van artikel 7:267 BW Pro medehuurderschap van de woning die door [B] werd gehuurd. Zij stelde dat zij sinds 2015 haar hoofdverblijf in de woning had en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met [B], die mantelzorg nodig had. De kantonrechter wees de vordering af omdat niet was voldaan aan de vereisten van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en de vordering kennelijk was bedoeld om appellante de positie van huurder te verschaffen.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde vast dat appellante en [B] onvoldoende hadden onderbouwd dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De samenwoning werd gezien als een praktische oplossing voor wederzijdse behoeften: zorg voor [B] en onderdak voor appellante en haar kinderen. Financiële verwevenheid, een belangrijk aspect van een duurzame huishouding, kon niet worden vastgesteld.
Het hof oordeelde dat de vordering van appellante niet toewijsbaar was en wees het hoger beroep af. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het geding. De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van De Alliantie werd verworpen omdat de bewindvoerder van [B] het hoger beroep steunde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.