In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst centraal, omdat de verhuurder stelde dat de huurder geen hoofdverblijf meer had in de gehuurde woning. De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming bevolen, mede op basis van een onderzoek door een recherchebureau dat een vermoeden van onrechtmatige bewoning had bevestigd.
In hoger beroep hebben de huurders aangevoerd dat zij wel degelijk hun hoofdverblijf in het gehuurde hadden, ondanks een periode van tijdelijk verblijf in België vanwege relatieproblemen. Zij hebben dit onderbouwd met onder meer inschrijvingen in de basisregistratie personen, verklaringen van derden en correspondentie.
Het hof heeft geoordeeld dat de stellingen en bewijsstukken van de huurders voldoende gemotiveerd en consistent zijn om het vermoeden van onrechtmatige bewoning te weerleggen. Het rapport van het recherchebureau was niet eenduidig en vooral gebaseerd op aannames. De huurder heeft de verzwaarde stelplicht in hoger beroep voldoende vervuld.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de verhuurder af. Tevens veroordeelt het hof de verhuurder in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep.