ECLI:NL:GHAMS:2021:84
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens onvoldoende financieel belang
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam, waarin geïntimeerde een vordering van €1.104,- had ingesteld. Het hof beoordeelt of het hoger beroep ontvankelijk is op grond van artikel 332 Rv Pro, dat stelt dat hoger beroep niet openstaat bij vorderingen onder €1.750,- inclusief rente tot dagvaarding.
De vordering van geïntimeerde bestond uit een tarief verloren kaart, schadevergoeding en incassokosten, tezamen onder de appellabiliteitsgrens. Appellant stelde een hogere vordering en een reconventionele vordering, maar deze waren niet aan de kantonrechter voorgelegd en tellen daarom niet mee.
Het hof concludeert dat appellant onvoldoende financieel belang heeft bij het hoger beroep en verklaart hem niet-ontvankelijk. Tevens wordt appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op €1.139,50. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 19 januari 2021.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens onvoldoende financieel belang en veroordeeld in de kosten.