ECLI:NL:GHAMS:2021:4152
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over geldleningen, hypotheek en gebruik appartement tussen zakelijke partners
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over geldleningen, de vraag wie als debiteur geldt, het gebruik van een appartement en de dekking van leningen door een hypotheek. Appellant en geïntimeerde, die een zakelijke en affectieve relatie hadden en betrokken waren bij dezelfde vennootschappen, voeren conflicten over terugbetaling van leningen en gebruiksrechten.
De rechtbank had eerder een eindvonnis gewezen waarin appellant werd veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een groot bedrag. In hoger beroep heeft appellant de vorderingen gewijzigd en onder meer schadevergoeding en huurpenningen gevorderd, terwijl geïntimeerde haar vorderingen eveneens heeft aangepast.
Het hof heeft uitgebreid bewijs en getuigenverklaringen gewogen, waaronder verklaringen over de aard van de leningen, het gebruik van het appartement, en financiële transacties. Het hof concludeert dat niet is bewezen dat alle leningen als persoonlijke leningen aan appellant gelden en dat het hypotheekrecht slechts ziet op een klein bedrag. Ook is geen huurovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen en zijn onrechtmatige onttrekkingen niet voldoende onderbouwd.
Het hof vernietigt het bestreden eindvonnis, wijst de vorderingen van geïntimeerde af, veroordeelt haar tot betaling van €881.390,02 met wettelijke rente aan appellant, verklaart verrekening met proceskosten mogelijk en bekrachtigt de tussenvonnissen. De kostenveroordeling wordt grotendeels aan geïntimeerde opgelegd.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van geïntimeerde af en veroordeelt haar tot betaling van €881.390,02 met rente aan appellant.