ECLI:NL:GHAMS:2021:3707

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
23-003928-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 Wetboek van StrafvorderingArt. 378a Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak belediging ambulancemedewerker wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte was vrijgesproken van het beledigen van een ambulancemedewerker. De verdachte werd ervan beschuldigd op of omstreeks 1 juni 2019 in Amsterdam beledigende woorden te hebben gebruikt tegen een ambtenaar belast met ambulancewerkzaamheden.

In hoger beroep werd vastgesteld dat het bewijs onvoldoende was om de tenlastelegging te bewijzen. De enige directe verklaring kwam van het slachtoffer, terwijl de verklaringen van politieambtenaren gebaseerd waren op informatie van ambulancepersoneel waarvan onduidelijk bleef of die niet enkel van de aangever afkomstig was. Bovendien kwam hetgeen de politieambtenaren van verdachte hadden gehoord niet overeen met de tenlastegelegde woorden.

Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor zover het gericht was tegen de eerdere vrijspraak en vernietigde het vonnis voor zover het de tenlastelegging betrof. De verdachte werd vrijgesproken van het feit van belediging. Tevens wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf af, aangezien de verdachte werd vrijgesproken.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 5 januari 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van belediging ambulancemedewerker wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003928-19
datum uitspraak: 5 januari 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-171375-19 en 13-182103-15 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2020.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 1 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met ambulancewerkzaamheden, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "je bent een facist" en/of "je bent een racist" en/of "je bent een PVV-er" en/of "je bent een Wilders-aanhanger", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde - zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde - zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging. Deze moet worden afgewezen nu verlenging van de proeftijd niet meer mogelijk is en de advocaat-generaal een andere wijze van tenuitvoerlegging niet aangewezen acht.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Tegenover de stellige ontkenning van de verdachte dat hij tegen de mannelijke ambulancemedewerker de in de tenlastelegging opgenomen woorden in die vorm zou hebben gebezigd, staat in feite alleen de verklaring van die ambulancemedewerker dat dat wel is gebeurd. De vervolgens verschenen politieambtenaren hebben hun informatie volgens eigen zeggen van het ambulancepersoneel, waarbij niet duidelijk is of hun bron niet weer – enkel – de aangever is geweest. Wat de politieambtenaren zelf (het hof begrijpt op een later moment) uit de mond van de verdachte hebben gehoord, komt niet overeen met de teksten zoals die zijn tenlastegelegd. Daarmee is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13-182103-15

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 november 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder feit 2 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 2 oktober 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 november 2017, parketnummer 13-182103-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. J.L. Bruinsma en mr. J. Steenbrink, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 januari 2021.