Op 12 september 2020 werd verdachte samen met een medeverdachte aangehouden nadat zij niet stopten voor een politie-teken en vervolgens met hoge snelheid wegvluchtten. Tijdens de vlucht werd een rugtas met ruim 3 kg cocaïne achtergelaten, waarop DNA-sporen van de medeverdachte werden aangetroffen.
De verdachte gaf wisselende verklaringen over de herkomst en het bezit van de drugs, waaronder het roken van marihuana en het vinden of kopen van een wikkel cocaïne. De rechtbank stelde verdachte schuldig aan het vervoeren van harddrugs en veroordeelde hem.
In hoger beroep bevestigde het hof het vonnis, corrigeerde een schrijffout in de hoeveelheid cocaïne en verving de bewijsoverweging. Het hof oordeelde dat het meest aannemelijke scenario is dat verdachte en medeverdachte wisten van het vervoer van de cocaïne en samen probeerden te ontkomen aan de politie.
De verklaringen van verdachte werden als onbetrouwbaar beoordeeld en boden geen alternatief scenario. Het hof nam geen beslissing over het beslag omdat dit al onder de medeverdachte was afgedaan. Het vonnis werd op 24 november 2021 uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.