Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 3betogen [appellanten] dat de belangenafweging van artikel 7:296 lid 3 BW Pro in hun voordeel moet uitvallen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten, erfgenamen van de eigenaar van een pand met een bedrijfsruimte en afhankelijke woning, vorderen ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand en subsidiair beëindiging wegens dringend eigen gebruik en slechte bedrijfsvoering. Geïntimeerden exploiteren sinds 1984 een schoonheidssalon en wonen in de afhankelijke woning, die is aangepast aan de behoeften van een gehandicapte.
De huurachterstand bedraagt minimaal € 23.895,74 per 1 juni 2021, ondanks erkenning door geïntimeerden dat zij kunnen betalen. Het hof biedt hen een termijn van twee weken om deze achterstand in te lopen. Bij niet-naleving zal de huurovereenkomst worden ontbonden en ontruiming worden bevolen.
Indien de huurachterstand wordt voldaan, wijst het hof de subsidiaire vordering toe en bepaalt dat de huurovereenkomst per 31 december 2023 eindigt, zodat geïntimeerden hun werkzaamheden kunnen afbouwen en een nieuwe woning kunnen zoeken. De kantonrechter heeft ten onrechte de beëindiging geweigerd. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens onduidelijkheid over de corona-korting.
Het arrest is gewezen door het Gerechtshof Amsterdam op 19 oktober 2021.
Uitkomst: Huurovereenkomst wordt ontbonden bij niet-inlopen huurachterstand, anders beëindigd per 31 december 2023 met ontruiming.