ECLI:NL:GHAMS:2021:2712
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige partnerbijdrage en verzoek tot bankafschriften in echtscheidingszaak
Partijen zijn in 1993 gehuwd en in 2016 gescheiden. In de echtscheidingsbeschikking is overeengekomen dat de man een partnerbijdrage zou leveren, aanvankelijk €4.000,- per maand, later verlaagd naar €675,-. De vrouw verzoekt in hoger beroep om een voorlopige voorziening die de partnerbijdrage weer op €4.000,- stelt en tevens om afgifte van bankafschriften van de man.
Het hof stelt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen als er een dringend belang is dat niet kan wachten op de hoofdzaak. De vrouw stelt een financiële noodsituatie te hebben, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd en de man betwist dit. De vrouw ontvangt een AOW-uitkering, een kleine partnerbijdrage, en wordt ondersteund door haar dochter. Ook is de woning verkoopklaar, maar de vrouw werkt niet mee aan verkoop.
Het verzoek tot voorlopige partnerbijdrage wordt daarom afgewezen. Het verzoek tot afgifte van bankafschriften wordt eveneens afgewezen omdat het belang onvoldoende is onderbouwd, het verzoek te onbepaald is en de gevraagde gegevens betrekking hebben op een andere procedure. Het hof wijst de verzoeken van de vrouw af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot voorlopige partnerbijdrage en het verzoek tot afgifte van bankafschriften af wegens onvoldoende onderbouwing en te onbepaald verzoek.