De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor twee afzonderlijke feiten van rijden onder invloed van alcohol op 27 juli 2018 te Amsterdam en 12 oktober 2019 te Haarlem. In beide gevallen bleek het alcoholgehalte in zijn adem aanzienlijk hoger dan de wettelijke limiet van 220 microgram per liter uitgeademde lucht.
Het hof achtte de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen en verwierp andere tenlasteleggingen. De verdachte werd niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor verkeersdelicten, waardoor hij als first offender werd aangemerkt.
De opgelegde straf bestaat uit een geldboete van €1200, te voldoen in zes termijnen van €200, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden per feit. Een voorwaardelijke gevangenisstraf werd niet opgelegd vanwege het ontbreken van recidive.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het rekening hield met de persoonlijke omstandigheden en beperkte draagkracht van de verdachte. De straf is passend geacht gezien de ernst van de feiten en de gevaren die het rijden onder invloed met zich meebrengt.