ECLI:NL:GHAMS:2021:2514

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 augustus 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
23-002470-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Tevens werd aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

In hoger beroep werd het vonnis bevestigd. Het hof voegde een overweging toe omtrent de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, specifiek met betrekking tot de hennepkwekerij in twee kweekruimtes. Het hof volgde de advocaat-generaal niet volledig omdat er onvoldoende aanwijzingen waren over het aantal hennepplanten in de tweede kweekruimte, waarvoor verdachte ook werd vrijgesproken.

Het hof bevestigde daarom de ontnemingsmaatregel alleen voor het voordeel dat voortvloeit uit de kweek in de eerste kweekruimte. De uitspraak werd gedaan na onderzoek van het dossier en de zitting in hoger beroep van 28 juli 2021. Het arrest werd uitgesproken op 11 augustus 2021 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en legt ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op voor de hennepkweek in de eerste kweekruimte.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002470-20
datum uitspraak: 11 augustus 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-020333-18 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 7285,53.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 27 oktober 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4883,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2021 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op
€ 7285,53 en dat aan de verdachte een dienovereenkomstige betalingsverplichting wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met dien verstande dat het hof de volgende overweging toevoegt:
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen dat zou zijn ontstaan uit de kweek van in totaal 86 hennepplanten, te relateren aan de in de hoofdzaak ten laste gelegde kweek van hennepplanten in ‘kweekruimte 1’
enin ‘kweekruimte 2’.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof volgt de advocaat-generaal niet, nu het hof onvoldoende aanwijzingen heeft om vast te kunnen stellen of en zo ja hoeveel hennepplanten er in ‘kweekruimte 2’ zouden hebben gestaan. In zoverre heeft het hof de verdachte in de hoofdzaak ook vrijgesproken, overeenkomstig het oordeel van de politierechter. Ontneming van enig wederrechtelijk verkregen voordeel dat zou zijn ontstaan uit de kweek van hennepplanten in ‘kweekruimte 2’ acht het hof dan ook niet aan de orde.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.P. van Heusden, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2021.
mr. J.W.P. van Heusden en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]