ECLI:NL:GHAMS:2021:2315

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
200.280.409/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 121 lid 2 RvArt. 225 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens verkeerde hoedanigheid geïntimeerde

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarbij zij de gezamenlijke erfgenamen van wijlen erflater hebben betrokken. Het geschil betreft de vraag in welke hoedanigheid geïntimeerde 1 partij is in de procedure.

Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat geïntimeerde 1 niet in haar hoedanigheid van erfgenaam betrokken kan worden. Appellanten hadden niet de bedoeling haar in die hoedanigheid op te roepen, maar het exploot van 11 augustus 2020 was wel gericht aan de gezamenlijke erfgenamen, waardoor geïntimeerde 1 dit zo heeft mogen begrijpen.

Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep ten aanzien van geïntimeerde 1 in haar hoedanigheid van erfgenaam. Gezien de familierelatie compenseert het hof de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord.

Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen geïntimeerde 1 in haar hoedanigheid van erfgenaam.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.280.409/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/636493/HAZA 17-1026
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 juli 2021
inzake

1.[appellant 1] ,

wonende te [plaats A] ,
2. [appellant 2] ,
wonende te [plaats B] ,
appellanten,
tevens verweerders in het incident,
advocaat: mr. J.P. Koets te Haarlem,
tegen

1.[geïntimeerde 1] , erfgename van wijlen [erflater] ,

wonende te [plaats C] ,
advocaat: mr. M.J.P. Schipper te Alkmaar,
geïntimeerde, tevens eiseres in het incident,

2. [geïntimeerde 2] , erfgenaam van wijlen [erflater] ,

wonende te [plaats D] ,
advocaat: mr. M. Hees te ‘s-Hertogenbosch,

3. [geïntimeerde 3] , vereffenaar in de nalatenschap van wijlen [erflater] ,

wonende te [plaats C] ,
niet verschenen,
geïntimeerden.

1.Het geding in hoger beroep

Geïntimeerde sub 1 wordt hierna ook [geïntimeerde 1] genoemd.
Appellanten hebben bij dagvaarding van 28 februari 2020, hersteld bij exploot van 4 juni 2020, aan de gezamenlijke erven van wijlen [erflater] aangezegd dat zij in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2019, onder bovenvermeld nummer gewezen tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde 3] en [X] B.V. als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, [appellant 1] als gedaagde in conventie en [appellant 2] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
Bij rolbeslissing van 6 augustus 2020 is vastgesteld dat de appeldagvaarding en het herstelexploot niet op de juiste wijze zijn betekend en is appellanten op grond van artikel 121 lid 2 Rv Pro de gelegenheid geboden de erfgenamen zelf in het geding te roepen bij exploot van de rolzitting van 25 augustus 2020.
Bij exploten van 11 augustus 2020 hebben appellanten onder meer [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , in hun hoedanigheid van (gezamenlijke) erfgenamen van wijlen [erflater] en in hun hoedanigheid van (gezamenlijke) vereffenaars van de nalatenschap van wijlen [erflater] , aangezegd dat zij in hoger beroep zijn gekomen van voormeld vonnis en hen opgeroepen op 25 augustus 2020 te verschijnen.
Vervolgens zijn onder meer de volgende stukken ingediend:
  • incidentele akte tot schorsing ex artikel 225 Rv Pro,
  • conclusie van antwoord in het incident tot schorsing ex 225 Rv,
  • conclusie van antwoord in het incident tot schorsing tevens houdende incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde 1] .
Bij rolbeslissing van 1 december 2020 is vastgesteld dat de zaak is geschorst op grond van artikel 225 Rv Pro.
Vervolgens zijn de volgende stukken ingediend:
  • verzoek hervatting van het geding, met oproeping van [geïntimeerde 3] als vereffenaar,
  • memorie van grieven.
Bij rolbeslissing van 5 juli 2021 heeft de rolraadsheer de zaak verwezen naar de rol voor arrest in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring.
[geïntimeerde 1] heeft in dat incident geconcludeerd dat het hof appellanten niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen tegen haar pro se, met veroordeling van appellanten in de kosten van het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.Beoordeling

2.1
Het incident betreft de vraag in welke hoedanigheid [geïntimeerde 1] partij is in de procedure. Het hof stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat [geïntimeerde 1] niet in haar hoedanigheid van erfgenaam in de procedure kan worden betrokken.
Appellanten stellen zich op het standpunt dat het ook niet de bedoeling is geweest [geïntimeerde 1] in die hoedanigheid op te roepen in de procedure. [geïntimeerde 1] heeft het exploot van 11 augustus 2020 echter wel zo begrepen en ook mogen begrijpen, nu dat exploot onder meer gericht is aan “de (gezamenlijke) erfgenamen”. Dit betekent dat de incidentele vordering slaagt en appellanten in zoverre niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun hoger beroep.
2.2
Gelet op de familierelatie tussen partijen zal het hof de proceskosten van het incident compenseren.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
- verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep ten aanzien van [geïntimeerde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam,
- compenseert de proceskosten tussen appellanten en [geïntimeerde 1] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar de rol van 7 september 2021 voor memorie van antwoord.
Dit arrest is gewezen door J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021.