ECLI:NL:GHAMS:2021:2118
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening kinderalimentatie met bepaling draagkracht en zorgkorting
Partijen, die een relatie hadden en samenwoonden, zijn in 2019 uit elkaar gegaan. Zij hebben een minderjarige zoon geboren in 2014. De vrouw oefent het gezag uit. In eerste aanleg werd een voorlopige omgangsregeling en een kinderbijdrage van €25 per maand vastgesteld.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking van 22 december 2020 en verzocht om een verhoging van de kinderbijdrage naar €265 per maand. Het hof oordeelde dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoek omdat de bodemprocedure nog niet gepland stond en het belang voldoende was.
Het hof bepaalde dat het peiljaar voor de behoeftebepaling van het kind 2020 is, vanwege discrepanties in het inkomen van de man in 2019 en 2020. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €374 per maand. De draagkracht van de man werd berekend op €193 en die van de vrouw op €221 per maand. Gezien de omgangsregeling van gemiddeld drie dagen per week werd een zorgkorting van 35% toegepast, wat resulteerde in een vermindering van de bijdrage van de man met €131.
De voorlopige kinderbijdrage van de man werd daarom vastgesteld op €43 per maand met ingang van 22 december 2020. De beschikking werd vernietigd voor zover het de hoogte van de kinderbijdrage betreft en opnieuw vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De voorlopige kinderbijdrage van de man wordt vastgesteld op €43 per maand met ingang van 22 december 2020.