ECLI:NL:GHAMS:2021:1993
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voorlopige kinderalimentatie bij gewijzigde financiële omstandigheden
Partijen zijn in 2005 gehuwd en in 2008 gescheiden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, over wie gezamenlijk gezag wordt uitgeoefend. De kinderen wonen bij de vrouw. In 2015 werd bij beschikking bepaald dat de man een kinderbijdrage van €100 per maand per kind moest betalen, geïndexeerd naar €113 in 2021.
De man verzocht in hoger beroep de kinderbijdrage op nihil te stellen of de eerdere beschikking te schorsen vanwege zijn gewijzigde financiële situatie, veroorzaakt door gestegen woonlasten en vrijwel geen inkomsten sinds maart 2020 door de coronacrisis. De vrouw voerde verweer dat de man onvoldoende onderbouwing gaf en dat het niet in het belang van de kinderen was de bijdrage te verlagen.
Het hof oordeelde dat schorsing van de eerdere beschikking niet mogelijk was omdat deze in kracht van gewijsde was gegaan en dat het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk was. Wel stelde het hof op grond van artikel 223 Rv Pro een voorlopige voorziening vast, waarbij de kinderbijdrage met ingang van 16 maart 2021 werd vastgesteld op €50 per maand, gelet op de minimale draagkracht en de financiële situatie van de man. Het hof wees het verzoek om executiemaatregelen te verbieden af en compenseerde de kosten tussen partijen.
Uitkomst: De voorlopige kinderalimentatie wordt vastgesteld op €50 per maand per kind vanaf 16 maart 2021, en het verzoek tot schorsing van de eerdere beschikking wordt afgewezen.