Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin betrokkene was veroordeeld tot betaling van ruim €2,9 miljoen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van Opiumwetdelicten, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, en het cassatieberoep was verworpen.
Tijdens de procedure in hoger beroep werd een schikking getroffen tussen betrokkene en het openbaar ministerie, waarbij het bedrag werd vastgesteld op €1.901.013,24. Deze schikking omvatte de waarde van het conservatoir beslag, het vervolgprofijt en een forfaitair bedrag, met een gespreide betalingsregeling.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en bekrachtigde de schikking, waarbij het de betalingsverplichting aan de Staat oplegde. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.095 dagen. Het hof benadrukte dat het hier niet ging om een schikking in de zin van artikel 511c Sv, maar om een schikking die door het hof in het arrest werd betrokken.
Partijen hadden voldoende tijd en informatie om de schikking weloverwogen te sluiten en deden zonder dwang aan de onderhandelingen mee. Het hof achtte de schikking duidelijk en ondubbelzinnig en nam deze over in zijn uitspraak.