ECLI:NL:GHAMS:2021:1842
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verkrachting wegens onvoldoende steunbewijs voor onvrijwilligheid seksuele handelingen
In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam sprak het gerechtshof verdachte vrij van verkrachting. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen met dwang of geweld op een vrouw in Thailand in augustus 2017.
De advocaat-generaal vorderde bewezenverklaring op basis van onder meer sperma- en bloedsporen, getuigenverklaringen over de emotionele toestand van het slachtoffer, en een bekennende verklaring van verdachte in een Thais politiedossier. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro niet werd gehaald.
Het hof oordeelde dat het aantreffen van sperma en bloed in de slip van de aangeefster geen steunbewijs vormt voor het onvrijwillige karakter van de seks, aangezien ook vrijwillige seks bloedverlies kan veroorzaken. De diagnose PTSS bij het slachtoffer kon niet met voldoende zekerheid worden toegeschreven aan het ten laste gelegde feit. De bekennende verklaring in het Thaise dossier werd vanwege vertaal- en communicatieproblemen niet als betrouwbaar steunbewijs aanvaard. Getuigenverklaringen betroffen slechts de emotionele toestand van het slachtoffer, wat onvoldoende is om het onvrijwillige karakter te staven.
Daarom concludeerde het hof dat het bewijs niet voldeed aan het vereiste bewijsminimum en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, aangezien de vrijspraak betekent dat de gestelde schade niet door verdachte is veroorzaakt.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende steunbewijs voor het onvrijwillige karakter van de seksuele handelingen.