Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
afgewezen, terwijl bij een integrale vrijspraak een
niet-ontvankelijkheiddient te volgen.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter waarin de jeugdige verdachte integraal werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Het gerechtshof Amsterdam heeft het bewijs opnieuw beoordeeld, inclusief beschikbare camerabeelden, maar kwam niet tot een ander oordeel dan de kinderrechter en bevestigde de vrijspraak.
De benadeelde partij had zich in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal €10.699,68, bestaande uit materiële en immateriële schade en proceskosten. De kinderrechter wees deze vordering af, maar het hof vernietigde dit deel van het vonnis omdat bij een integrale vrijspraak de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering.
Het hof verklaarde de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de schadevordering en bepaalde dat beide partijen ieder hun eigen kosten dragen. Voor het overige werd het vonnis van de kinderrechter bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 17 juni 2021.
Uitkomst: Vrijspraak bevestigd en benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in schadevordering.