Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
- a) [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1947, woont in Duitsland.
- b) De officier van justitie te ’s-Hertogenbosch heeft op 1 april 2016 beslag gelegd op de onroerende zaken van [appellant] te [plaats] .
- c) ING heeft op 29 april 2019 onder de Sociale Verzekeringsbank beslag gelegd op de AOW-uitkering van [appellant] . De beslagvrije voet is daarbij vastgesteld op nihil.
- d) ING heeft op 28 mei 2019 onder ABN AMRO Levensverzekering N.V. beslag gelegd op een pensioenverzekering van [appellant] . Ook daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op nihil.
- e) ING heeft op 3 juni 2019 onder Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. beslag gelegd op een pensioenverzekering van [appellant] . Ook daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op nihil.
- f) [appellant] ontvangt een Duitse uitkering (‘Altersrente’) van € 547,01 per maand. Daarnaast ontvangt hij per 1 januari 2020 een Duitse zorgtoeslag (‘Pflegegeld’) van € 316,00 per maand.
- g) Bij onherroepelijke beschikking van 3 oktober 2019 heeft de kantonrechter een verzoek van [appellant] tot vaststelling van een beslagvrije voet afgewezen.