ECLI:NL:GHAMS:2021:1033
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning wegens bewoning zonder recht of titel en afwijzing beroep op huurbescherming
In deze zaak vordert woningstichting Rochdale ontruiming van een sociale huurwoning die door appellant zonder recht of titel wordt bewoond. De huurovereenkomst was gesloten met een derde, die het gehuurde moest bewonen en niet zonder toestemming mocht onderverhuren. Appellant woonde met haar zoon in de woning en betaalde een vergoeding aan de huurder.
De kantonrechter oordeelde dat appellant zonder recht of titel verbleef en kende de ontruiming toe. Appellant stelde hoger beroep in en voerde aan dat zij onderhuurder was van een zelfstandige woning en dat zij huurbescherming genoot op grond van artikel 7:269 BW Pro. Het hof oordeelde dat het onwaarschijnlijk is dat appellant als onderhuurder wordt beschouwd, mede omdat de hoofdhuurder zijn hoofdverblijf nog in de woning had.
Daarnaast was er een overeenkomst tussen partijen waarin appellant instemde met beëindiging van het huurrecht en ontruimingstermijn, ondanks het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:269 BW Pro. Het hof stelde dat deze afspraak rechtsgeldig is omdat zij na het ontstaan van het conflict werd gemaakt en niet van tevoren afstand werd gedaan van huurbescherming.
Het hof concludeerde dat appellant weinig kans had om als huurder te worden aangemerkt in een bodemprocedure en dat de belangen van Rochdale zwaarder wegen. Het hoger beroep werd verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, met veroordeling van appellant in de kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af, waardoor ontruiming wordt toegestaan.