ECLI:NL:GHAMS:2020:701
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake toepasselijk huwelijksvermogensrecht
In deze zaak is de man in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensrecht van partijen is vastgesteld. De man betoogde dat de beschikking een eindbeslissing bevatte waartegen hoger beroep mogelijk is, omdat de gevolgen onherroepelijk zouden zijn en de rechtbank de verdere behandeling had stilgelegd.
Het hof oordeelde dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking is, aangezien het dictum geen einde maakt aan enig deel van het verzochte. De overwegingen waarin het toepasselijk recht is vastgesteld, vormen geen bindende eindbeslissing in de zin van artikel 358 lid 4 Rv Pro. De man had ook geen verlof voor tussentijds appel gevraagd en de rechtbank had dit niet toegestaan.
Daarom is het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. De verdere behandeling van de zaak zal worden voortgezet bij de rechtbank. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020 door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft waartegen geen tussentijds hoger beroep openstaat.