Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant] ,
[appellant] ,
[appellant] ,
1.Het geding in de vorige instanties
2.Het geding na verwijzing
3.De vaststaande feiten
4.De beoordeling van het geschil na verwijzing
rov. 4]
rov. 5]
rov. 6]
rov. 7]
rov. 8]
vanaf14 juli 1975 kan worden afgeleid dat de gezamenlijke appartementseigenaars aldus bezitter van de strook grond zijn geworden, waarmee het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet is gedaan.
vanaf14 juli 1975 kan worden afgeleid dat de gezamenlijke appartementseigenaars aldus bezitter van de strook grond zijn geworden, vooreerst zal moeten worden bezien of ten aanzien van de strook grond een zodanige inbezitneming heeft plaatsgevonden dat [naam] eigenaar of bezitter daarvan is geweest en/of de gezamenlijke appartementseigenaars bezitter daarvan zijn geworden.
bestredendat het gebruik van de strook grond door [naam] werd beheerst door een overeenkomst met de rechtsvoorganger van [appellant] -Van der Linden. Het hof overweegt dat de plaatsing van de afrastering in 1923 (waardoor de strook grond in feitelijke/optische zin werd gescheiden van het perceel dat thans het kadastrale nummer [E] heeft) is aangebracht door de voormalige eigenaar van dit perceel, [B] , zelf – die met die afrastering de reeds bestaande afrastering, gelegen evenwijdig aan de [D] , heeft doorgetrokken naar de vijver van het park –, zodat dit niet als bezitsdaad van de kant van [naam] kan worden beschouwd en bovendien voor [B] op geen enkele wijze duidelijk kon zijn dat [naam] enigerlei eigendomspretentie met betrekking tot de strook grond had, ook al leek deze visueel voortaan deel uit te maken van het park waarvan [naam] eigenaar was. Datzelfde geldt indien (veronderstellenderwijs) ervan wordt uitgegaan dat [naam] op 14 juli 1975 mede op de strook grond erfdienstbaarheden heeft gevestigd, al was het maar omdat [B] of diens rechtsopvolgers niet betrokken waren bij die vestiging van een erfdienstbaarheid, zodat aan de vereiste openlijkheid van de betwisting van recht (zo van die betwisting al moet worden uitgegaan) niet is voldaan. Niet ter zake doet daarbij of uit de vestiging van de erfdienstbaarheid, zoals de [geïntimeerde] heeft gesteld, zou volgen dat [naam] zich eigenaar achtte van onder meer de strook grond, reeds omdat uit een innerlijke overtuiging van [naam] voor [B] niet kenbaar kan zijn geweest dat deze eigendomspretenties ten aanzien van die strook grond koesterde. Niet ter zake doet daarbij evenmin of het bewuste deel van de [D] deel uitmaakte van het openbaar wegenstelsel van de gemeente [G] dan wel een particuliere bestemming had, omdat in de desbetreffende passage uit de notariële leveringsakte van 21 maart 1910 onmiskenbaar wordt bedoeld dat [B] en zijn rechtsopvolgers zullen hebben te dulden dat het publiek (ook) gebruik kon blijven maken van de bedoelde helft van de [D] , en niet wordt bedoeld dat die helft deel zou moeten gaan uitmaken van enig openbaar wegenstelsel. Ten slotte merkt het hof op dat als de rechtsvoorganger van [naam] , [naam] , in 1962 het gehele park, waaronder begrepen de strook grond, heeft ingebracht in een vof met [F] , dit, wat daarvan verder zij, ook niet als een openlijke, tegen [B] of diens rechtsopvolgers gerichte, betwisting van hun recht kan worden aangemerkt.