ECLI:NL:GHAMS:2020:3918
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handel in cocaïne ondanks stemherkenningen
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd verdacht van handel in cocaïne in de periode december 2018 tot februari 2019.
De tenlastelegging betrof het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, verkopen en vervoeren van cocaïne. Het openbaar ministerie vorderde een gevangenisstraf van zes maanden en verbeurdverklaring van een geldbedrag. De verdediging stelde zich op het standpunt dat onvoldoende bewijs bestond, met name dat stemherkenningen onbetrouwbaar waren.
Het hof oordeelde dat de stemherkenningen door de verbalisanten niet bruikbaar waren voor het bewijs vanwege onduidelijkheden in de onderbouwing en het feit dat een van de verbalisanten zijn herkenning baseerde op informatie van de ander. Verder ontbrak onomstotelijk bewijs van betrokkenheid bij de handel, mede doordat geen goederen werden aangetroffen die de handel ondersteunden.
De ontmoeting tussen verdachte en medeverdachte op de dag van aanhouding was onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, sprak verdachte vrij en gelastte de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 3.106,20.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs, met name onbruikbaarheid van stemherkenningen.