ECLI:NL:GHAMS:2020:3882

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2020
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
23-004087-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 63 SrArt. 9a SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling verkoop en bezit cocaïne en XTC met aangepaste strafmotivering

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor de verkoop van cocaïne en het bezit van cocaïne en zes XTC-pillen. In hoger beroep bevestigt het gerechtshof Amsterdam dit vonnis, maar vervangt het de strafmotivering van de politierechter door een eigen motivering.

Het hof weegt de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder het feit dat de verdachte herhaaldelijk in aanraking is geweest met politie en justitie, mede voor Opiumwet-gerelateerde zaken. Het drugshandel draagt bij aan een bedreiging van de volksgezondheid en de samenleving, wat zwaar meeweegt.

De procedure duurde in totaal vier jaar en zeven maanden, waarbij de redelijke termijn van twee jaar per instantie is overschreden met zeven maanden, voornamelijk door het horen van buitenlandse getuigen op verzoek van de verdediging. Het hof constateert een schending van artikel 6 EVRM Pro, maar legt een aangepaste straf op: de taakstraf van 100 uur wordt vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het hof verwerpt het verzoek van de raadsman om de verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging en oordeelt dat artikel 9a Sr niet van toepassing is gezien de ernst van het feit. Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 23 juli 2020.

Uitkomst: Bevestiging veroordeling met vervanging taakstraf van 100 uur door 50 dagen hechtenis wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004087-16
datum uitspraak: 23 juli 2020
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-149086-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2017, 10 juli 2019 en 9 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de strafmotivering van de politierechter vervangt door een eigen strafmotivering.

Vervangende strafmotivering

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.
De raadsman heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel gelet op het tijdsverloop en op het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne en 6 XTC pillen (MDMA). Dergelijke verdovende middelen vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen eveneens een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het drugscircuit. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juni 2020 is hij veelvuldig in aanraking geweest met politie en justitie, onder andere met betrekking tot de Opiumwet. Dit weegt in het nadeel van de verdachte.
Wat betreft de redelijke termijn overweegt het hof dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.
In deze procedure is de op redelijk te beoordelen termijn aangevangen op 23 december 2015, het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Het vonnis waarvan beroep werd gewezen op 12 oktober 2016. Vervolgens is op 4 november 2016 namens de verdachte hoger beroep ingesteld en doet het hof bij arrest van 23 juli 2020 uitspraak. De procedure als geheel heeft derhalve 4 jaar en 7 maanden geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is deze periode overschreden met 7 maanden. De overschrijding van de termijn is met name veroorzaakt door het horen van getuigen in het buitenland op verzoek van de verdediging. Gelet op het voornoemde, de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf volstaat het hof met louter de constatering dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.
Alles afwegende en rekening houdende met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, acht het hof een taakstraf van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis passend en geboden. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de ernst van het feit zich niet verhoudt met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juli 2020.
mr. M. Jurgens en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]