ECLI:NL:GHAMS:2020:348

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
23-000331-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkoop en bezit MDMA-pillen met strafomzetting naar gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het verkopen van twee MDMA-pillen en het aanwezig hebben van één pil. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en op basis van het bewijs vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk de pillen aan een medeverdachte heeft verkocht en zelf een pil in bezit had.

Het bewijs bestond uit politieverklaringen, forensische rapportages en een verklaring van de medeverdachte die aangaf de pillen van de verdachte te hebben gekocht. De verdediging voerde aan dat onduidelijk was wie de pillen had verkocht, maar het hof verwierp dit op grond van de feiten.

De strafrechtelijke kwalificatie betrof overtreding van de Opiumwet, artikel 2 onder Pro B en C. Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf van drie weken eiste, vond het hof een taakstraf passend volgens de richtlijnen, maar zette deze om in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen vanwege de dakloosheid van de verdachte.

Het hof oordeelde verder dat het feit dat de verkoop plaatsvond tijdens het Amsterdam Dance Event geen strafverzwarende omstandigheid vormt. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 februari 2020.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verkoop en bezit van MDMA-pillen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000331-19
datum uitspraak: 11 februari 2020
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-242408-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1987,
postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer drie tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Het hof stelt op basis van het proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2018 (doorgenummerde pagina’s van het proces-verbaal van politie 1 tot en met 3) het volgende vast. De verdachte stond samen met de verdachte [medeverdachte] onder een steiger. De verdachte pakte iets kleins uit een zakje en overhandigde dit aan [medeverdachte]. Hierna liep de verdachte samen met [medeverdachte] weg, waarna verbalisant [verbalisant] hen volgde. Beide verdachten werden aangehouden. Vlak voordat verbalisant [verbalisant] de rechterarm van de verdachte kon vastpakken, gooide de verdachte iets weg. Verbalisant [verbalisant] herkende het weggegooide object als het zakje waaruit de verdachte eerder iets aan [medeverdachte] had overhandigd. Het zakje bevatte een groengele pil en bij [medeverdachte] werden twee soortgelijke pillen aangetroffen. Blijkens de forensische rapportages (doorgenummerde pagina’s van het proces-verbaal van politie 9 en 10) bevatten beide pillen de werkzame stof MDMA.
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat niet zeker is wie van de twee verdachten de pillen heeft aangeboden en wie ze heeft gekocht. Het zou volgens hem ook kunnen dat [medeverdachte] de pillen aan de verdachte verkocht. Het hof overweegt dat de pil die bij de verdachte is aangetroffen exact overeenkomt met de pillen die bij de verdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen. Daarnaast overweegt het hof dat de pil is aangetroffen in het zakje waaruit de verdachte eerder die dag zoals door de politie is waargenomen iets aan [medeverdachte] overhandigde. Tot slot verwijst het hof naar het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] (doorgenummerde pagina’s 12 tot en met 14 van het proces-verbaal van politie), waarin hij verklaart dat hij de pillen van de verdachte heeft gekocht.
Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat het de verdachte is geweest die twee pillen bevattende MDMA heeft verkocht aan [medeverdachte], en zelf (daarna) nog één pil voorhanden had.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht twee tabletten, bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
en
hij op 19 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een tablet, bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen van twee pillen MDMA en het aanwezig hebben van een pil MDMA. Dergelijke harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan is bezwarend voor de samenleving. De verkoop van drugs op straat gaat bovendien vaak gepaard met overlast en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid voor omwonenden en voorbijgangers.
Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieruit blijkt dat een taakstraf in beginsel in de rede ligt. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name zijn dakloosheid, ziet het hof echter aanleiding om de taakstraf om te zetten naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Evenals de politierechter is het hof, anders dan de officier van justitie en de advocaat-generaal, niet van oordeel dat het plegen van een dergelijk feit tijdens een evenement zoals het Amsterdam Dance Event strafverzwarend is. Om die reden wijkt het hof in het voordeel van de verdachte af van de eis van de advocaat-generaal.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertien dagen passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
14 (veertien) dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O Mooy, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 februari 2020.
=========================================================================
[…]