Uitspraak
Onderzoek van de zaak
20 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
Op 8 juni 2018 werd verdachte beschuldigd van het mishandelen van de benadeelde door hem tweemaal of eenmaal in de buik te stompen in een kleedkamer van een turnzaal te Purmerend. De benadeelde verklaarde dat de verdachte hem had gestompt, terwijl verdachte dit ontkende en een alternatieve verklaring gaf voor de rode plekken op de buik van de benadeelde.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd omdat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De getuigen konden geen duidelijkheid verschaffen over het incident en het letsel kon ook op een andere wijze zijn ontstaan dan door mishandeling.
De advocaat-generaal en de verdediging vorderden beiden vrijspraak. Het hof sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde mishandeling en verklaarde de schadevordering van €350,- van de benadeelde niet-ontvankelijk omdat de schuld niet bewezen was.
Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 november 2020.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.