Uitspraak
1.ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
ABN AMRO BANK N.V.,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak is appellant, woonachtig in Turkije, in hoger beroep gekomen tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam waarbij ABN AMRO en AAS als wederpartijen betrokken zijn. Beide geïntimeerden hebben incidenteel gevorderd dat appellant zekerheid stelt voor de proceskosten op grond van artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant, die geen woonplaats in Nederland heeft, gehouden is zekerheid te stellen, of dat hij daarvan is vrijgesteld op grond van een uitzondering in artikel 224 lid 2 Rv Pro, namelijk wanneer dit voortvloeit uit een verdrag. Het hof past ambtshalve het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 toe, dat in artikel 17 lid 1 bepaalt Pro dat onderdanen van verdragsluitende staten die domicilie hebben in een andere verdragsstaat geen zekerheid kunnen worden opgelegd.
Omdat appellant in Turkije woont, maar onduidelijk is of hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit bezit, wordt hem opgedragen zich hierover uit te laten met bewijsstukken. Vervolgens mogen ABN AMRO en AAS daarop reageren. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol voor de verdere procedure.
Deze uitspraak betreft een tussenarrest in het incident tot zekerheidstelling en is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 24 november 2020.
Uitkomst: De zaak is aangehouden en appellant wordt verzocht zich uit te laten over zijn nationaliteit met bewijsstukken.