Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
10 november 2020
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd in 2006 en zijn in 2019 gescheiden. De gemeenschap van goederen omvatte onder meer twee woningen, een Mercedes en aandelen in verschillende vennootschappen. In hoger beroep staan verzoeken en grieven centraal over de toedeling van de woningen, waardebepaling, verrekening van schulden, gebruiksvergoeding en verdeling van de gemeenschap.
De vrouw trok haar principaal hoger beroep in, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard. De man trok een groot deel van zijn incidenteel hoger beroep in, waarna het hof zijn resterende verzoeken afwees wegens gebrek aan onderbouwing. De waardering van de Mercedes werd vastgesteld op €30.500,- en aan de vrouw toegewezen. Diverse verzoeken over bankrekeningen en huurpenningen werden terugverwezen naar de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde.
Met betrekking tot de woning aan [adres A] werd overwogen dat deze in verhuurde staat in de verdeling moet worden betrokken. De rechtbank had een meerwaardeclausule opgenomen, maar het hof vond deze niet gerechtvaardigd vanwege het geringe verschil tussen verhuurde en onverhuurde waarde en het achterstallig onderhoud dat door partijen wordt hersteld. Het verzoek van de vrouw voor een voorschot op de verdeling van €100.000,- werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikkingen met enkele verbeteringen, wees diverse verzoeken af en compenseerde de proceskosten. Voor bepaalde onderwerpen, zoals de verrekening van schulden en gebruiksvergoeding, verwees het hof de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afdoening.
Uitkomst: Het hof verklaart diverse beroepen niet-ontvankelijk, bekrachtigt de bestreden beschikkingen met verbeteringen en verwijst enkele onderdelen terug naar de rechtbank.