Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
(…)
Gerechtshof Amsterdam
De gerechtsdeurwaarder hield sinds 2004 een kantoor waar vanaf 2018 een bewaringstekort ontstond dat niet tijdig werd aangezuiverd. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) stelde vast dat de financiële en dossieradministratie onvoldoende was ingericht, met ontoereikende liquiditeit en solvabiliteit sinds 2017. Ondanks herstelplannen werd niet voldaan aan de normen en bleef het tekort bestaan.
Het BFT diende een klacht in, waarna de kamer voor gerechtsdeurwaarders de gerechtsdeurwaarder ontzette uit het ambt en een termijn van twee jaar bepaalde waarin hij niet als waarnemer kon optreden. De gerechtsdeurwaarder ging in hoger beroep en voerde aan dat het BFT geen vast handhavingsbeleid had en dat een stille bewindvoerder benoemen een beter instrument was geweest.
Het hof oordeelde dat het BFT terecht een klacht indiende gezien het maatschappelijke belang en het vertrouwen in de beroepsgroep. Het hof bevestigde dat de gerechtsdeurwaarder structureel een negatief bewaringstekort had laten ontstaan en onvoldoende toezicht hield op de administratie en financiële positie. De ontzetting uit het ambt was passend, maar de termijn waarbinnen hij niet als waarnemer kan worden benoemd werd verlengd naar vijf jaar, terwijl de termijn voor toevoeging aan een ander kantoor op nul dagen werd gesteld.
De kostenveroordeling in hoger beroep werd achterwege gelaten vanwege het gedeeltelijk geslaagde maatregelverweer. De ontzetting gaat in op 1 januari 2021.
Uitkomst: De gerechtsdeurwaarder wordt ontzet uit het ambt wegens bewaringstekort en ontoereikende administratie met een waarnemingstermijn van vijf jaar.