Uitspraak
1.Het geding
1.8. De wrakingskamer heeft [gemachtigde] daarop bij e-mail van 23 oktober 2020 als volgt nader geïnformeerd:
Gerechtshof Amsterdam
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak, stellende dat de toepassing van de Tijdelijke wet COVID-19 en een eerdere tussenuitspraak onpartijdigheid in gevaar brachten.
De wrakingskamer oordeelde dat de procedurele beslissing om een mondelinge behandeling digitaal te houden geen grond voor wraking vormt en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen. Daarnaast werd vastgesteld dat het wrakingsverzoek voor een deel niet tijdig was ingediend, waardoor verzoekers op dat onderdeel niet-ontvankelijk werden verklaard.
Ondanks herhaalde verzoeken van de gemachtigde van verzoekers om de zitting uit te stellen wegens vakantie en technische beperkingen, werd de behandeling voortvarend digitaal voortgezet. Verzoekers en hun gemachtigde waren niet aanwezig bij de digitale zitting.
De wrakingskamer concludeerde dat de vermeende ontvangstproblemen van e-mails niet aannemelijk waren en dat het verzoek tot wraking niet gegrond was. De beslissing werd gegeven door drie raadsheren en uitgesproken op 29 oktober 2020.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen en verzoekers zijn niet-ontvankelijk verklaard voor een deel van het verzoek.