Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Cliënt is bij u in dienst geweest tot 1 april 2019. Op 15 februari 2019 heeft u hem per brief geïnformeerd dat zijn dienstverband niet zou worden voortgezet(…)”
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van een werknemer tegen een beschikking van de kantonrechter waarin zijn verzoek tot betaling van een aanzegvergoeding wegens niet tijdige schriftelijke aanzegging van het einde van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was afgewezen.
De werknemer trad op 1 september 2018 in dienst bij de werkgever voor een periode van zeven maanden, eindigend op 1 april 2019. De werkgever had de werknemer per brief van 15 februari 2019 geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. De werknemer tekende deze brief echter pas op 21 maart 2019, wat aanleiding gaf tot discussie over de tijdigheid van de aanzegging.
De kantonrechter oordeelde dat de aanzegging tijdig was ontvangen, mede gelet op gedragingen van de werknemer en correspondentie, en wees het verzoek af. Het hof oordeelt anders: het is niet komen vast te staan dat de werknemer de aanzegbrief eerder dan 21 maart 2019 schriftelijk heeft ontvangen, wat niet tijdig is volgens artikel 7:668 lid 1 BW Pro.
De werkgever is daarom de aanzegvergoeding naar rato verschuldigd over de periode van 1 tot en met 21 maart 2019. Tevens wordt de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van een schriftelijke bruto/netto-specificatie en tot betaling van de proceskosten. Het incidentele appel van de werkgever wordt ingetrokken.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de werkgever tot betaling van de aanzegvergoeding wegens niet tijdige schriftelijke aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst.