ECLI:NL:GHAMS:2020:2796

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
000546-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 591a Sv (oud)Art. 9a SrArt. 90 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand afgewezen behalve procedurekosten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand deels werd toegewezen en deels afgewezen. De rechtbank kende vergoeding toe voor kosten die verband hielden met het aandringen op een sepotbeslissing, maar wees de overige kosten af omdat appellant bij verhoor had verklaard dat de verdovende middelen aan hem toebehoorden, waardoor de verdenking aan hem zelf te wijten was.

De advocaat van appellant voerde aan dat de verklaring met terughoudendheid was afgelegd en niet verder was onderzocht, waardoor het niet duidelijk was dat vervolging tot een bewezenverklaring zou leiden. De advocaat-generaal adviseerde het beroep af te wijzen.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 90 Sv Pro alleen vergoeding kan worden toegekend indien gronden van billijkheid aanwezig zijn. Omdat appellant door het bewaren van verdovende middelen in de woning de verdenking aan zichzelf te wijten had, waren geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten in de strafzaak, ook niet voor de kosten om een sepotbeslissing te verkrijgen.

Wel achtte het hof gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van de verzoekschriftprocedure zelf. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en kende appellant een vergoeding van €830 toe, terwijl het overige werd afgewezen.

De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2020.

Uitkomst: Appellant krijgt vergoeding van €830 voor verzoekschriftprocedurekosten, overige kosten rechtsbijstand worden afgewezen.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000546-20 (530 Sv)
proces-verbaalnummer politie: PL1100-2015220570-2
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2020 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 591a (oud) van het Wetboek van Strafvordering(Sv) van:
[appellant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. A.J. Admiraal,
[adres].

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 29 mei 2020 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer en heeft op 22 september 2020 de advocaat-generaal en de waarnemend advocaat van appellant,
mr. T.P.A.M. Wouters, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.773,10;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 830,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank heeft het verzoek toegewezen voor zover de kosten van rechtsbijstand zien op het aandringen door de advocaat van appellant op een sepotbeslissing die naar het oordeel van de rechtbank te lang op zich liet wachten. De rechtbank heeft de overige kosten voor rechtsbijstand afgewezen omdat appellant bij zijn verhoor op 10 september 2015 heeft verklaard dat de verdovende middelen aan hem toebehoren en de verdenking daarom aan appellant zelf te wijten is.
De advocaat van appellant heeft aangevoerd dat de verklaring met een zekere terughoudendheid is afgelegd en dat die verklaring voorts niet verder is onderzocht. Gelet hierop is niet duidelijk dat bij vervolging tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd tot afwijzing van het beroep.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Blijkens de verklaring van appellant waren de in de woning aangetroffen verdovende middelen zijn eigendom. Door verdovende middelen in de woning te bewaren heeft appellant de verdenking zich schuldig te maken aan overtreding van de Opiumwet op zich geladen en zodoende de noodzaak voor het inschakelen van rechtsbijstand aan zichzelf te wijten gehad. Daarom acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de onder a. verzochte vergoeding, ook niet voor de kosten die zijn gemaakt om een sepotbeslissing te verkrijgen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure zoals verzocht onder b tot een bedrag van € 830.00.
Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 830,00 (achthonderddertig euro).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.M.H.P. Houben en M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 6 oktober 2020.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 830,00 (achthonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Derdengelden Takens Admiraal advocaten o.v.v. schadevergoeding [appellant].
Amsterdam, 6 oktober 2020,
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.