ECLI:NL:GHAMS:2020:2796
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand afgewezen behalve procedurekosten
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand deels werd toegewezen en deels afgewezen. De rechtbank kende vergoeding toe voor kosten die verband hielden met het aandringen op een sepotbeslissing, maar wees de overige kosten af omdat appellant bij verhoor had verklaard dat de verdovende middelen aan hem toebehoorden, waardoor de verdenking aan hem zelf te wijten was.
De advocaat van appellant voerde aan dat de verklaring met terughoudendheid was afgelegd en niet verder was onderzocht, waardoor het niet duidelijk was dat vervolging tot een bewezenverklaring zou leiden. De advocaat-generaal adviseerde het beroep af te wijzen.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 90 Sv Pro alleen vergoeding kan worden toegekend indien gronden van billijkheid aanwezig zijn. Omdat appellant door het bewaren van verdovende middelen in de woning de verdenking aan zichzelf te wijten had, waren geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten in de strafzaak, ook niet voor de kosten om een sepotbeslissing te verkrijgen.
Wel achtte het hof gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van de verzoekschriftprocedure zelf. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en kende appellant een vergoeding van €830 toe, terwijl het overige werd afgewezen.
De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 oktober 2020.
Uitkomst: Appellant krijgt vergoeding van €830 voor verzoekschriftprocedurekosten, overige kosten rechtsbijstand worden afgewezen.