Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[naam V.O.F.] ,
[appellant sub 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak staat een geschil omtrent een autoverzekering centraal. De verzekerden, een vennootschap onder firma en een persoon, vorderen uitkering van schadevergoeding na een ongeval met een BMW waarvan de motor volgens de verzekeraar in slechte technische staat verkeerde vóór het ongeval. De verzekeraar heeft de uitkering geweigerd wegens vermeende opzettelijke misleiding door verzwijging van de slechte staat van de motor.
De rechtbank wees de vorderingen af en stelde vast dat de verzekeringnemer en zijn familieleden onjuiste verklaringen hadden afgelegd en de verzekeraar hadden misleid. Het hof bevestigt dat de motor vóór het ongeval ernstige slijtage vertoonde, zoals vastgesteld in een technisch rapport, en dat de verzekeringnemer dit vermoedelijk wist. De bewijslast hiervoor rust op de verzekeraar.
Het hof laat de appellanten toe tegenbewijs te leveren en getuigen te horen over hun kennis van de technische staat van de motor op het moment van de schademelding. De beslissing wordt aangehouden om dit nader te onderzoeken. Het hof oordeelt ook dat het handelen van de verzekeringnemer aan de vennootschap kan worden toegerekend, waardoor het recht op uitkering vervalt indien opzet tot misleiding wordt bewezen.
Uitkomst: Het hof laat tegenbewijs toe en houdt de beslissing aan om nader onderzoek te verrichten naar de kennis van de slechte technische staat van de motor voorafgaand aan de schademelding.