Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[naam maatschap] ,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gaat het om een geschil over een niet-betaalde advocaatdeclaratie. Het hof heeft in een tussenarrest een bewijsopdracht gegeven aan appellant om aan te tonen dat de aanmaningen die geïntimeerde aan hem stuurde niet zijn ontvangen. Appellant is hier niet in geslaagd.
Het hof overweegt dat geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaningen aan de postbus van appellant zijn verzonden en hem hebben bereikt, of geacht moeten worden te hebben bereikt. Appellant heeft niet bewezen dat hij geen beschikking meer had over die postbus in de relevante periode. Hierdoor is de verjaring van de vordering gestuit en is het verjaringsverweer afgewezen.
Daarnaast heeft appellant de hoogte van de vordering betwist, maar heeft hij onvoldoende onderbouwing gegeven om de declaratie te verlagen. Wel is het beroep deels gegrond verklaard wat betreft de aanvang van de wettelijke rente; deze moet ingaan vanaf 23 november 2011, de datum van de eerste aanmaning die hem heeft bereikt.
Het hof vernietigt het vonnis voor zover appellant werd veroordeeld tot betaling met rente vanaf twee weken na 29 oktober 2010 en veroordeelt hem opnieuw tot betaling met rente vanaf 23 november 2011. Het overige vonnis wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van € 2.705,57 met wettelijke rente vanaf 23 november 2011, en het overige vonnis wordt bekrachtigd.