Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Daarna is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat het gehuurde een gebrek heeft dat bestaat in ernstige stankoverlast die wordt veroorzaakt door een niet aan [appellant] toe te rekenen oorzaak, terwijl anderzijds Parteon alles heeft gedaan wat van haar kon worden gevergd om de oorzaak van de door [appellant] ervaren stank te achterhalen en weg te nemen. De vordering tot huurverlaging over de periode vóór 1 juli 2017 (1), tot verklaring voor recht (2) en tot schadevergoeding (3) zijn alle op deze grond afgewezen. De vordering tot afgifte van stukken (4) is afgewezen omdat niet was gebleken dat Parteon beschikte over stukken die [appellant] nog niet had ontvangen en op de vordering tot terbeschikkingstelling van de woning [adres 2] als tijdelijke woning (5) is niet beslist, omdat was gebleken dat [appellant] die woning inmiddels had geweigerd. In reconventie is de huurprijs vastgesteld op de overeengekomen huurprijs en is [appellant] veroordeeld om het nog niet betaalde deel daarvan aan Parteon te voldoen. [appellant] is zowel in conventie als in reconventie in de kosten van het geding veroordeeld.