ECLI:NL:GHAMS:2020:2105
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toewijzing schadevergoeding wegens lekkage en herstelkosten badkamer
In deze civiele zaak stond de vraag centraal welke schadevergoeding appellanten konden vorderen wegens een lekkage en de daaruit voortvloeiende schade aan de vloerbalken van hun badkamer. In een eerder tussenarrest had het hof geoordeeld dat het gebrek voor risico van geïntimeerden kwam en dat de schade niet aan de hand van de herstelwerkzaamheden kon worden vastgesteld, omdat appellanten de badkamer geheel hadden gerenoveerd.
Appellanten hebben vervolgens een specificatie van de gemaakte kosten ingediend, waarbij zij hun vordering iets hebben verminderd. Geïntimeerden betwistten grotendeels de toerekenbaarheid van sommige kostenposten aan het gebrek, met name die welke niet direct met het herstel van de vloerbalken en lekkage te maken zouden hebben.
Het hof oordeelde dat de meeste kostenposten, waaronder de behandeling van schimmel, verwijdering en vervanging van balken, installatie van sanitair en verwijdering van elektra en leidingen, direct verband hielden met het gebrek en daarom volledig toewijsbaar waren. Sommige kosten, zoals voor nieuwe radiator, douchedeuren en wandtegels, werden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van toerekening.
De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat niet was gesteld dat de vereiste aanmaning was verstuurd. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde geïntimeerden hoofdelijk tot betaling van €12.905,86 plus rente en proceskosten.
Uitkomst: Geïntimeerden worden veroordeeld tot betaling van €12.905,86 plus wettelijke rente en proceskosten wegens herstelkosten lekkage en schade aan vloerbalken.